De onderhoudsplicht van de stiefouder

Een stiefouder is verplicht om gedurende zijn huwelijk of geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

Een stiefouder is degene die is getrouwd of een geregistreerd partner is aangegaan met een persoon die één of meer kinderen heeft van wie de eerstgenoemde geen ouder is.
Indien het huwelijk met de ouder van het minderjarige kind door echtscheiding of overlijden wordt ontbonden, dan eindigt daarmee de onderhoudsplicht van de stiefouder. Dit geldt ook bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap.

Niet onderhoudsplichtig
Een stiefouder is niet onderhoudsplichtig indien de minderjarige kinderen niet tot het gezin van die stiefouder behoren. Of minderjarige kinderen tot het gezin van de stiefouder behoren, dient ruim te worden geïnterpreteerd. Ook stiefkinderen die bijvoorbeeld na een machtiging uithuisplaatsing tijdelijk buitenshuis worden verzorgd en opgevoed of die op kamers wonen in verband met hun studie behoren tot het gezin van de stiefouder.

Vraag
´Moeder trouwt met haar nieuwe partner. De minderjarige kinderen van moeder en vader wonen in het gezin van moeder en haar nieuwe echtgenoot (de stiefvader). Zowel moeder, stiefvader als vader hebben een eigen inkomen. Wie zijn onderhoudsplichtig?´

Antwoord
´Zowel de moeder, de vader als de stiefvader zijn in bovengenoemd voorbeeld onderhoudsplichtig. De verplichtingen ter zake van het onderhoud van de kinderen zijn in beginsel van gelijke rang. Een onderhoudsplicht van een stiefouder is aldus niet subsidiair aan die van de ouders. De moeder, de vader en de stiefvader moeten in gelijke rang bijdragen aan de kosten van de minderjarige kinderen.´

Omvang bijdrage – vraag
´Hoe moet de omvang van de bijdrage in de behoefte van de minderjarige worden vastgesteld?

Antwoord
´De rechter zal eerst vaststellen of de draagkracht van de onderhoudsplichtigen het betalen van een bijdrage toelaat. Indien er slechts draagkracht is bij één van de onderhoudsplichtigen, dan geldt de hoofdregel dat bij de bepaling van het verschuldigde bedrag voor levensonderhoud rekening wordt gehouden met de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de onderhoudsplichtige (HR 28 mei 1993, NJ 1994, 434).
Indien de draagkracht van tenminste twee alimentatieplichtigen toelaat dat zij tot een bijdrage gehouden zijn, moet de rechter vervolgens bij het vaststellen van de omvang van die bijdrage behalve met ieders draagkracht ook rekening houden met de bijzondere verhouding waarin ieder van de onderhoudsplichtigen tot de minderjarige kinderen staat.

Bijzondere verhouding
De bijzondere verhouding waarin de onderhoudsplichtigen staan, kan zelfs leiden tot een verdeling waarbij de bijdrage van één van hen op nihil wordt gesteld. Dit speelde bijvoorbeeld in een procedure waarin de vader al gedurende veertien jaar geen contact had gehad met zijn kinderen en de kinderen al gedurende tien jaar in het gezin van de moeder en de stiefvader woonden. De achternaam van de kinderen was gewijzigd in de achternaam van de stiefvader. Die omstandigheden brachten mee dat de bijdrage van de vader op nihil werd gesteld (HR 22 april 1988, NJ 1989, 386).

De bijzondere verhouding behoeft niet altijd te leiden tot een verdeling waarbij de bijdrage van één van de onderhoudsplichtigen op nihil wordt gesteld en waarin de andere onderhoudsplichtige volledig in de behoefte van de kinderen dient te voorzien (0%/100%). Zo besliste het Hof ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld dat de bijdrage van de vader op 2/3 deel en de bijdrage van de stiefouder op 1/3 deel van de behoefte van de kinderen werd gesteld (66,6%/33,3%). Het Hof overwoog in dat arrest dat de partner van de moeder pas sinds kort stiefvader van de kinderen was en pas betrekkelijk kort in gezinsverband met de moeder van de kinderen samenwoonde, zodat de kinderen veel langer in het gezin van de vader hadden verbleven. Bovendien achtte het Hof van belang dat de kinderen nog steeds regelmatig omgang met de vader hadden (Hof ’s-Hertogenbosch 17 december 2002, EB 2003/9).

Aan de rechter komt een grote vrijheid toe bij de afweging van de bijzondere verhoudingen tussen de onderhoudsplichtigen en de minderjarige. Voor de bepaling van de omvang van de bijdrage in de behoefte van de minderjarige is die afweging van de rechter in combinatie met de draagkracht van de onderhoudsplichtige doorslaggevend.
Een algemene richtlijn voor de vaststelling van de omvang van de bijdrage in de behoefte van de minderjarige kinderen is aldus niet te geven. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval.